Logo texelsecourant.nl
Hans, Philip en Elias Vlessing bij hun vertrek van Texel in 1966.
Hans, Philip en Elias Vlessing bij hun vertrek van Texel in 1966. (Foto: Archief Texelse Courant)
Historie

Hoe overleefden de Joden van Texel de oorlog?

  Historie

Hoe overleefden de Joden van Texel de oorlog? Het is de titel van de lezing van ereburger, journalist en oud-hoofdredacteur van de Texelse Courant Harry de Graaf hield tijdens de herdenking op 4 mei. 

Op het geallieerde gedeelte van de algemene begraafplaats aan de Kogerstraat in Den Burg staat een prieel met door Bram van Dijk uit Oosterend vergaarde informatie over de oorlogsvliegers van het Britse gemenebest die op of bij Texel om het leven zijn gekomen.

In datzelfde prieel is een plaquette waarop kort is vermeld wat op ons eiland in 40-45 is gebeurd. Onder andere is te lezen dat de Joden van Texel de oorlog hebben overleefd. Op verzoek van het 4/5 mei had ik die tekst gemaakt, mijn naam staat er onder. Daardoor was het mogelijk dat ik per email werd benaderd door een in oorlogshistorie geïnteresseerde meneer van de overkant die de begraafplaats had bezocht en mijn verhaal had gelezen. Dat geen enkele Jood van Texel slachtoffer was geweest van de Holocaust vond hij opmerkelijk en zelfs onwaarschijnlijk. Hij was later nog eens teruggelopen om te zien of hij het wel goed had gelezen.

Het is waar dat 'alle' Texelse Joden de oorlog hebben overleefd, maar dat suggereert dat op het eiland veel Joden waren. Het waren echter slechts enkele families. Die kenden waarschijnlijk geen Joods gemeenschapsleven. Voor het beleven van hun religie zouden zij aangewezen zijn geweest op Den Helder of verder maar het is niet waarschijnlijk dat zij van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Als dat voor hen belangrijk was geweest zouden ze zich niet op Texel hebben gevestigd of daar zijn gebleven.

Een bekende Jood was Levie Polak, geboren op 27 augustus 1865 in Rotterdam en overleden op 19 maart 1948 in Den Burg, dus 82 jaar oud. Hij kwam op Texel terecht omdat zijn vader hier als veearts werd aangesteld. Hij was getrouwd met Petronella Isabella Borgman en woonde en werkte aan de Gravenstraat, vlakbij het gebouw dat nu Cinema Texel is. Hij was van beroep sigarenmaker en daarnaast dorpsomroeper die met een bel de straat opging en, een beetje mank lopend, met luide stem algemene en commerciële berichten rondriep. Mijn moeder die er in de Hogerstraat vlakbij woonde kon hem goed imiteren. De bel van Levie is bewaard gebleven en staat nu in de Oudheidskamer.

Dan had je David Frank, geboren in 1898 in Winschoten en overleden in Den Burg in 1993. Hij handelde in werkkleding, beddengoed, ondergoed en aanverwante goederen vanuit zijn winkel met woning halverwege de Weverstraat. Zoals sommigen van jullie heb ik hem vrij goed gekend want ik kwam met mijn moeder wel eens in zijn zaak en zag hem in het voorbijgaan ook vaak bezig in zijn etalage. Zijn dochter Geertje overleed in 1944 op 21-jarige leeftijd door natuurlijke oorzaak.

Zowel Polak als Frank waren getrouwd met een christelijke, in elk geval niet-Joodse vrouw. De Duitsers stonden aanvankelijk vrij tolerant tegenover deze gemengde huwelijken waarmee deels is verklaard waarom zij de dans konden ontspringen. Zekerheid daarover was er echter allerminst want de Duitsers en hun Nederlandse meelopers die zich met deze kant van de Judenfrage bezig hielden hanteerden een weinig consequent beleid, dat ook nog telkens veranderde en mede afhankelijk was van de kopstukken die het op een bepaald moment het meest voor het zeggen hadden. De aanpak verschilde ook nog per plaats. Er was eigenlijk geen peil op te trekken, wat blijkt uit het hoofdstuk 'Gemengde huwelijken' in het standaardwerk 'Ondergang' van dr. J. Presser over de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom. Er zijn nogal wat Joden van deze categorie naar Westerbork afgevoerd, maar in de meeste gevallen ook weer vrijgelaten, soms nadat zij hadden beloofd zich te laten steriliseren.

Hoewel het op Texel niet zo'n vaart leek te lopen hadden Polak en Frank dus wel  reden om ongerust te zijn. Over Polak hoorde ik uit de tweede hand dat hij een tijd ondergedoken heeft gezeten en als boerenknecht en onder een andere naam werkte in de buurt van Oosterend. Dit zou met medeweten van 'het raadhuis' zijn gebeurd.

Over de eventuele lotgevallen van David Frank ben ik niets aan de weet gekomen. Ik neem nu maar aan dat hij gewoon bleef zitten waar hij zat. Hij is nooit verraden, ook niet door de NSB-er die schuin tegenover hem woonde. Dat klopt met het algemene beeld. Op Texel waren naar verhouding vrij veel NSB-ers maar over het algemeen waren het geen verraders. Dat gold ook voor burgemeester Rijk de Vries die wel eens via-via te horen kreeg waar op Texel onderduikers zaten maar daar niets mee deed. Onder die onderduikers zaten ook wel Joden. Het echtpaar De Vries van de school van Zuid-Eierland had in 1941 het Joodse meisje Peppie Prior in huis genomen, wat geen problemen heeft opgeleverd. In Oosterend zat Bernard Benjamin Penha ondergedoken onder de schuilnaam Jan de Bruin. Naar hem hebben de Duitsers nog gezocht, vergeefs omdat de ondervraagde omwonenden volhielden van niets te weten. Ook Salomon Valvekens die eigenlijk Meijer heette en op Modestia in Eierland zat, ontsprong de dans.

Op De Mok moet in die tijd een Jood gelegerd zijn geweest die wél op de nominatie stond om naar Westerbork, dus uiteindelijk naar de gaskamers te worden afgevoerd. Het niet bevestigde verhaal wil dat dit niet doorging omdat de man een ervaren diamantbewerker en tevens koperslager was, die de Duitsers goed konden gebruiken voor hun oorlogsindustrie. Een staaltje van zijn kunstzinnig koperslagwerk was een granaathuls waarvan hij een prachtig bewerkte vaas had gemaakt. Na lange omzwervingen kwam dat ding weer op Texel terecht en is nu in het bezit van de familie Stiekema in Den Burg.


In februari 1941 stond in alle kranten, dus ook de Texelse, dat personen 'van Joodschen bloede' zich moesten melden bij het gezag. De genoemde Texelse Joden hebben dat waarschijnlijk ook gedaan, mogelijk omdat zij toen niet konden weten welke consequenties dat kon hebben.

Ook Elias (Eli) Vlessing uit Den Burg had zich gemeld, maar maakte dat later ongedaan door de Duitsers met een gewaagde list om de tuin te leiden, daarover zo direct meer.

Vlessing was de eigenaar van de NV Goederenhandel PH. Vlessing, een bedrijf dat zich rond 1850 op Texel had gevestigd en daar uitgroeide tot de grootste particuliere werkgever van het eiland met een breed scala van commerciele activiteiten. Het meest bekend was hij door zijn manufacturenhandel op de hoek Gravenstraat-Weststraat maar daarnaast deed hij ook in stoffering, meubelfabricage en onroerend goed.

Ten tijde van de oorlog bestond het gezin Vlessing uit Eli, zijn ook Joodse vrouw Johanna de Miranda en zoons Flip, Ron en Hans. En dan had je nog Israël (Ies) Vlessing, een broer van Eli. Die dook onder bij mensen in Nieuwendam, bij Amsterdam-noord. Hij overleed daar in april 1945 vlak voor de bevrijding door ziekte en het door de omstandigheden ontbreken van behoorlijke medische hulp. Hij werd inderhaast begraven in de buurt en later herbegraven bij Den Helder waar zijn graf met Nederlands en Hebreeuws opschrift nog altijd in stand wordt gehouden. Zijn naam staat ook op het monument aan de Kogerstraat.

Eli Vlessing dook dus niet onder maar probeerde al in 1942 de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz ervan te overtuigen dat hij geen echte Jood was en dus niet meldungspflichtig. Toch werd hij op 29 mei 1943 met zijn gezin opgepakt en naar Westerbork afgevoerd. De Duitsers legden de leiding van het bedrijf in handen van een verwalter (zaakwaarnemer) de NSB-er Kees Koetsier. De Vlessings werden echter niet doorgestuurd naar de gaskamers van een vernietigingskamp maar op 8 maart 1944 al weer vrijgelaten. Hoe kon dat?

Vlessing  beweerde dat hij geen Jood was maar het buitenechtelijke kind van een Texelse vrouw: Krijntje Kooiman-Dros, kinderloze weduwe van Jacob Kooiman Gerritzoon, de vroegere eigenaar van de drukkerij en boekhandel Texelse Courant voordat de gebroeders Duinker dit bedrijf overnamen. Vanwege de schande zou zij het kind hebben laten adopteren door de familie Vlessing waarmee zij al zakelijke banden onderhield.


Krijntje Kooiman-Dros (Tantje Krien). (Foto Reformatorisch Dagblad)

De Duitsers geloofden dit verzonnen verhaal natuurlijk niet zomaar en stelden vanaf 1944 langdurig onderzoek in waarbij zowel Eli Vlessing als Krijntje stevig werden verhoord en antropologisch onderzocht door Duitse rassendeskundigen onder wie een professor uit Kiel. Beiden bleven liegen alsof het gedrukt was en voerden als de zogenaamde vader Meindert Alderlieste op. Daarmee zou Krijntje een korte affaire hebben gehad met Eli als resultaat. Bij Meindert zelf konden ze het niet navragen want die was al jaren tevoren overleden. Krijntje moet bij die verhoren nogal dramatisch te keer zijn gegaan en haar ondervragers op knieën hebben gesmeekt om teruggave van 'haar enige kind'. De Duitsers trapten erin en stelden de familie in vrijheid. Krijntje had door haar consequente houding het leven van vijf mensen gered, een heldendaad. Als de Duitsers haar niet hadden geloofd zou het voor haar niet best zijn afgelopen.

Het vermelden waard is dat de kerkenraad van de NH gemeente van Den Burg door het vervalsen van het geboortebewijs heeft meegewerkt aan de redding van de Vlessings.

Ik wil niet de indruk wekken dat de manier waarop de familie Vlessing aan de dood ontsnapte uniek is. Sterker nog, meer dan 2600 Nederlandse Joden ontkwamen aan wegvoering door met vervalste bewijsmiddelen een andere identiteit aan te nemen, zo blijkt uit het promotieonderzoek van de historica Petra van den Boomgaard waaraan het Reformatorisch Dagblad een maand geleden uitvoerig aandacht gaf.

Krijntje (tante Krien zoals ze door de familie Vlessing werd genoemd) overleed 10 januari 1949 op 74-jarige leeftijd in het Lidwinaziekenhuis in Den Helder. Mijn moeder wees me destijds op de advertentie in de Texelse Courant waarmee Eli, Johanna, Flip, Ron en Hans melding maken van de dood van hun 'onvergetelijke Tante Krien aan wie wij allen ons leven hebben te danken'.


Overlijdensadvertentie uit 1949 van Krijntje Kooiman-Dros. 

De staat Israël kent de yad-vashem medaille voor niet-Joden die met gevaar voor eigen leven Joden hebben geholpen. Dat lintje heeft Krijntje nooit gehad. De onderscheiding is echter ook postuum mogelijk. Het zou dus alsnog kunnen, maar ergens een gedenkplaat zou misschien een nog beter idee zijn.

Dank u.

Harry de Graaf, 4 mei 2019.

Met dank aan Irene Maas, Dirk van de Lagemaat, Cees Hoogerheide, Arthur Oosterbaan, Ed Stiekema, Wilma Eelman, Aris van Zeijlen, Gelein Jansen, Elly Heerschap, Cocky Penha, Texelse Courant, Eli Vlessing.

Via deze link komt men bij een stuk dat dieper ingaan op de gebeurtenissen in de oorlog met de familie Vlessing. 

Gerard Timmerman
Gerard Timmerman, verslaggever Texelse Courant.
Meer berichten
 

Wat vindt u?

Het geplande kunstwerk van het Hoogheemraadschap als monument voor de Dijkversterking moet er komen.



Reageren!