
Tessels: het is er nog, 'luuster' maar!
Schapen, vogels, de boot: dat zijn dingen die Texelaars en toeristen meteen met Texel associëren. Maar weinig zaken zijn zó op en top Texels als... het Tessels. Dat is de taal van 'skéépe', van 'feugels', en de 'bóót' met die bijzondere 'oo' die een 'overkònter' alleen met moeite na kan doen. Steeds minder wordt het dialect gesproken. Toch is het er nog volop, voor wie weet waar-ie het zoeken moet.
Onverstaanbaar is het toch eigenlijk maar zelden, dat Tessels. Wat dat betreft zouden de eilanders zich voor de toeristen niet eens erg in hoeven houden. Zeker wie van huis uit al een ander Nederlands dialect spreekt, zal gauw genoeg begrijpen wat een Texelaar bedoelt. Dat de lange ij een 'ie' wordt en de ui een 'uu', dat is ook niet uniek. In veel dialecten zijn deze klanken terug te horen. Maar natuurlijk wel overal nét een beetje anders, zoals ook Texelaars nét een eigen draaitje geven aan hun klanken, aan hun woorden. "Hejje nag tiêd?" Als een Texelaar dat zegt, zingt de taal een beetje.
Niks mis mee, in theorie. Taalkundigen wijzen er in dit geval op dat mensen van nature meertalig zijn. Wie als kind een dialect leert en daarnaast standaardtaal, die wordt dus in feite tweetalig - en dat is een rijkdom. Ofwel: "Twie is Tessels!"
School
Maar scholen, ook op Texel, hebben lang afwijzend gestaan tegenover dialect. Kinderen werd gezegd dat ze dat Tessels maar gauw moesten afleren. Die opstelling heeft effect gehad. Veel Texelaars kijken wel uit om zomaar Tessels tegen een vreemde te spreken. Omgekeerd laten toeristen juist merken dat zangerige taaltje wel iets leuks en eigens te vinden. Veel bezoekers van het eiland zouden het best wat vaker willen horen.
De laatste jaren is er wel wat veranderd, wat dat betreft. Op de middelbare school zijn nu af en toe lessen in het dialect. Leerlingen komen zo in aanraking met woorden die ze anders alleen bij opa en oma nog horen. "Jee lóópt toch niet te kneteren, hè?", tegen iemand die met prut onder z'n schoenen 'in huus' rondstapt, daarbij stukjes vuil achterlatend. Maar soms is het ook andersom. Op Texel hoor je nogal eens de 'lieuw' z'n eigen naam roepen. Wie weet dat deze vogel in het Nederlands scholekster heet?
Bij de lessen op de middelbare school is ook aandacht voor de typische klanken van het Tessels. Al hebben kinderen díé klanken eigenlijk allang geleerd, zonder het te beseffen. Dat we in de standaardtaal een 'i' en een 'j' schrijven in het woord 'tijd', dat klopt eigenlijk perfect met hoe dat woord in het Tessels uitgesproken wordt. Het is voor kinderen én volwassen een bijzonder besef dat deze spelling verraadt dat de uitspraak in het Nederlands vroeger ongeveer die van het tegenwoordige Tessels was. Wie dialect kent, hoeft dan ook niet te twijfelen over 'ij' of 'ei'. Oma weet raad!
Het Tessels, dat is niet zomaar 'plat' of slordig, dat is een oude taal die voor de standaardtaal niet onderdoet. Een taal met een rijke geschiedenis, zeker, maar ook een taal van gevoel, van 'thuus'. Dat hopen de vrijwilligers in de dialectlessen over te brengen.
Dialectgroep
Die vrijwilligers zijn betrokken bij de 'werkgroep dialect' van de Historische Vereniging Texel. Iedere vierde dinsdag van de maand komt dat groepje Texelaars samen in Den Burg. Soms met z'n tienen, soms met z'n twintigen. De voertaal is op deze middagen uiteraard het Tessels.
"Weer is de stuufkoe? Kejje mee de stuufkoe deurskúve?" Zo vragen de deelnemers elkaar om melkpoeder, voor in de koffie. "Ik zet m'n wriêfglasie effe uut, hoor", over de smartphone. Zo leeft het Tessels toch volop.
De Historische Vereniging organiseert ook grotere bijeenkomsten, meestal twee keer per jaar: 'Echt op sien Tessels'. Dan laten dialectsprekers zien wat ze kunnen met hun eigen eilandtaal. Zingen, toneelspelen, een conference geven: het mag allemaal. Deze evenementen trekken vaak honderden bezoekers. En uiteraard blijft de voertaal, ook in de pauze, het Tessels.
Tessels onderweg
Het is dus nog lang niet weg, dat Tessels. Bezoekers van het eiland komen er vanzelf wel mee in aanraking. Als ze in Den Burg door de 'Skoolglop' moeten, bijvoorbeeld. Of als ze tijdens een wandeling over het oude land hekken zien met daar de traditionele namen van de weilanden op geschreven. Huizen ('huze') hebben niet zelden een Tesselse naam. En waarom zou het museum van Oudeschild zich 'Kaap Skil' noemen? Zo leert de bezoeker vanzelf hoe dit dorp, kort en krachtig, door de Texelaars genoemd wordt.
Wie het dialect ook echt wil horen heeft de beste kansen 'on Strend', in Oosterend dus. Daarover zijn de mensen van de dialectgroep het wel eens. Het past ook gewoon bij het dorp, dat zangerige, dat sierlijke, al die oude klinkers.
Maar eigenlijk past het dus overal. Wie het nog kan, mag dat bést laten horen, aan wie maar 'luustere' wil.
Marcel Plaatsman

