Afbeelding

Randverschijnselen

Terug naar 1963

Op de redactie maak je soms bijzondere dingen mee. Zoals vorige week het bezoek van Olaf van Hoorn en zijn mantelzorgster Lideweijde van Rijn uit Doornenburg. Wellicht kent u het gelijknamige kasteel waar indertijd de serie Floris is opgenomen.

Hij, 82, overhandigde met eerbied, alsof het een kwetsbaar museumstuk betrof, het verslag van zijn zomerstage in 1963 op hoeve De Korenschoof. Nadien was hij regelmatig op Texel teruggekeerd. Zij: “We moeten altijd even langs die boerderij. En ook langs De Bunders, langs de Limietweg.” Hij: “Daar zat ik in de kost bij de familie Brak. Ik kwam ook bij De Lugt. Bestaat dat bedrijf nog?” “Jazeker”, vertelde ik.

Van Hoorn was nadien boswachter geworden en hield van natuur. “Gerrit Boot, is die nog boswachter?” “Niet meer”, vertelde ik, “inmiddels zijn zoon Eckard.” Hij vroeg of er nog tortelduiven zijn. “Die zijn zeldzaam en had je op De Korenschoof.” Dat zoeken we op.

Texel in 1963 stond hem nog helder voor de geest. We gaat een stukje terug in de tijd. Hoe zag het eiland er toen uit?

Er verscheen dat jaar een stuk in de krant over de verdeling van de kerkelijke gezindten (1960) op Texel: RK 28,2 procent, Nederlands Hervormd (33,8), Gereformeerd (8,7), overige kerken 9,9, geen kerkgenootschap (19,4). “Het RK-volksdeel is sterk vertegenwoordigd in de agrarische bedrijfstak: 37,7 procent.”

Qua gemiddeld inkomen deed Texel het niet zo best. In 1958 (meest recente cijfers) 1.800 gulden, tegen 2.050 gulden op de Friese Waddeneilanden. Ook in de landbouw was het geen vetpot. Dat de boeren ook in het verleden geen weelde gewend waren, kon de reden zijn dat hier minder werd geklaagd dan door overkantse collega’s. Wel was de weg naar boven ingezet. “In de laatste tien jaar is de totale melkproductie in maar heel weinig gebieden zo sterk gestegen als op ons eiland.”

De drie hoofdbronnen van bestaan waren landbouw, visserij en toerisme. Onder invloed van de voortschrijdende mechanisatie was het aantal mannen dat in de landbouw werkte in 12,5 jaar teruggelopen van 1.415 tot 1.143. De visserij groeide snel, in de haven van Oudeschild lagen 26 kotters. De vloot behoorde tot ‘de meest in het oog vallende groep in de Nederlandse visserswereld’.

Het toerisme vertoonde begin jaren zestig een stormachtige ontwikkeling. De capaciteit groeide snel. Het aantal bedden per categorie: 775 in hotels, 225 in logies met ontbijt, 600 in pensions, 1.625 in gemeubileerde kamphuizen, 750 in jeugdherbergen, 1.325 in kamphuisjes en 875 in kampeerhuisjes.

In het hoogseizoen was de vraag naar bepaalde accommodatie nog steeds groter dan het aanbod. Omgekeerd evenredig aan de groei van de bedden, was de bezetting per bed in het voorseizoen. Die daalde. Een tendens die zich zou voortzetten, ‘zolang de vakantiespreiding tot de vrome wensen blijft horen’. Desondanks waren er (1961) 800.000 overnachtingen, een verdubbeling ten opzichte van 1950.

Het aantal auto’s groeide sterk. In 1962 zette TESO ruim 100.000 auto’s over, meer dan zes keer zoveel als in 1949. De toename was voor de bootdienst een ‘bron van zorg’. “De nieuwe koppont (de Marsdiep kwam in 1964 in de vaart) zal nieuw verkeer aantrekken.”

Andere bron van zorg waren de woningen. “Het aantal nieuwe woningen dat mag worden gebouwd, voorziet ons nog steeds niet in de behoefte.”

Tot zover een greep uit 1963, het jaar dat Olaf van Hoorn stage liep op Texel. Een bloemlezing uit zijn verslag op pagina 7.

Gerard