
"Trauma's waren toen denk ik nog niet uitgevonden”
Met het verstrijken van de tijd zijn er steeds minder Texelaars die de Tweede Wereldoorlog bewust meemaakten. Toch zijn er nog altijd mensen met hun eigen herinneringen aan die tijd. Jan van der Vis (1935) was nog maar kind toen hij opeens middenin het oorlogsgeweld kwam te zitten. Hij heeft dingen gezien die hij al een leven lang bij zich draagt.
Jan van der Vis was tien jaar oud toen de oorlog zijn wereld op zijn kop zette. Hij groeide op in De Koog, waar zijn vader Sijbrand een smederij had en zijn moeder Guurtruida (Kikkert, red.) pension Het Vogelhuis runde. Het gezin telde vijf kinderen, en hun leven speelde zich voornamelijk af op en rond De Koog. Tot in het voorjaar van 1944 op bevel van de Duitsers De Koog plotseling moest worden geëvacueerd. Waarom precies, wist Jan toen niet. Later begreep hij dat het duingebied van strategisch belang was en dat huizen op de duinen als herkenningspunten voor vijandelijke vliegtuigen konden dienen.
“De evacuatie was niet paniekerig”, herinnert Jan zich. “We laadden gewoon alles op een platte wagen en vertrokken.” Zijn vader haalde vooraf al het sanitair uit het pension, met het idee dat na de oorlog weer terug te plaatsen. De familie vertrok naar De Waal, waar zij samen met een andere geëvacueerde familie, het gezin Groenhof ook uit De Koog, hun intrek namen in de pastorie. Dominee Van ’t Hoof maakte plaats.
Eerste tekenen van onrust
In De Waal nam het gewone leven al snel weer zijn loop. Jan ging naar school en vond zijn plek tussen de andere kinderen. Maar op een vrijdag in april 1945 sloeg de sfeer om. Vanuit Den Burg klonken schoten en explosies. “We stonden te kijken en dachten: wat is dat?”, vertelt hij. Al snel werd duidelijk dat het geen oefening was. Vluchtelingen bereikten het dorp en vonden onderdak in de pastorie. De spanning was voelbaar, al begreep Jan als kind nog niet alles. Wat hem wel opviel: de wc was voortdurend bezet. “Dat vond ik toen vreemd.” Al snel zou hij zelf ervaren wat angst met een mens doet. “Een dag later was ik zelf ook aan de schijterij.”
Russenoorlog barst los
Op zaterdagochtend trok een groep Duitse soldaten De Waal binnen. Volgens Jan waren het geen jonge mannen; ze oogden moe en gespannen. “Sommigen liepen te janken. Die hadden er echt geen zin in.” Ze marcheerden richting de Bomendiek, ondanks waarschuwingen dat Russische opstandelingen zich op de Zaandammerdijk bevonden. Kort daarna brak de hel los. Mitrailleurvuur en zware explosies volgden elkaar op. Het gezin Van der Vis zocht beschutting in de gang van de pastorie. De kelder werd bewust vermeden: te gevaarlijk als het gebouw zou instorten meende Jans’ vader.
“Ik weet nog dat ik het vreemd vond dat de wc voortdurend bezet was”
“Je hoorde het oorlogsgeweld niet alleen, je voelde het ook. Alles trilde.” Buiten werd het kerkhof naast de pastorie volledig omgeploegd door inslagen. Het weiland waar tegenwoordig SomPop wordt georganiseerd, lag er toen bij als een slagveld. Urenlang zaten ze binnen, wachtend tot het geweld afnam. In de namiddag werd het rustiger en besloot de familie te vluchten naar Oosterend, waar Jans’ grootvader, ‘opa Vis, woonde. “Toen we daar aankwamen, zocht ik meteen de wc op.”
Verwoesting
De gevolgen van de gevechten waren groot. Jan zag tijdens zijn vlucht naar Oosterend met eigen ogen hoe de kerk van De Waal in brand stond. Ook een paar huizen tegenover De Bellevue – een voormalig café in De Waal – gingen in vlammen op. Aan de Langwaal waar nu het huisje staat van wijlen Jan Bakker, thans in het bezit van Hans de Beurs, woonde destijds een gezin en ook hun huis was geraakt door een mortier. De familie van Jan moest inmiddels voor de tweede keer in een jaar tijd noodgedwongen verkassen: eerst uit De Koog, nu uit De Waal.
Een paar dagen later keert het gezin weer terug naar de pastorie in De Waal om, zoals Jan het omschrijft, “de rotzooi daar op te ruimen”. Jan herinnert zich nog dat ergens op een kast een busje stond gevuld met stroop. Dat busje bleek bij terugkeer doorboord te zijn door een verdwaalde kogel waardoor de grond gedrenkt was in stroop.
Domme pech
De oorlog liet zijn sporen na binnen het gezin. Jans’ moeder raakte geestelijk uit balans door de gebeurtenissen en vertrok samen met Jan tijdelijk naar haar ouderlijke huis in De Westen, waar zij werd verzorgd door ‘tante Cor’, haar oudere zus. Ook daar moeten Jan en zijn moeder al snel weer wijken want de boerderij gaat in vlammen op. Niet door oorlogsgeweld maar domme pech. “De pijp, van de potkachel, die deels door de schuur liep, barstte waardoor het hooi vlam vatte”, legt Jan uit. Voor de derde keer in korte tijd vinden Jan en zijn moeder elders onderdak, dit keer in een huis aan de Rozendijk. “Dat huis was van ene Schilpzand die volgens mij gelieerd was aan de NSB en daardoor uit zijn huis was gezet. Mijn moeder en ik hebben daar ongeveer een maand gewoond, daarna keerden we terug naar De Koog."
Nasleep
In De Koog hadden Jans’ vader en zijn zus Griet van 12 jaar er alles aan gedaan om Het Vogelhuis weer bewoonbaar te maken. Het eerder verwijderde sanitair moest opnieuw worden geïnstalleerd—een tastbaar symbool van herstel. In een kort maar zeer chaotisch tijdsbestek heeft Jan als tienjarige jongen veel gezien en meegemaakt.
Ook na de Russenoorlog was hij nog getuige van een hoop narigheid. “Toen we weer aan De Koog woonden fietste ik wel eens richting De Westen naar mijn familie. Ik weet nog dat ik aan het fietsen was en ik van een afstandje al de lijkenlucht rook. Dan hadden ze ergens weer een paar lichamen opgegraven. Je wist toen niet beter, dacht dat het erbij hoorde. Later heb ik wel eens gedacht… trauma’s waren toen denk ik nog niet uitgevonden.”
Pepijn Dros
