Afbeelding

Randverschijnselen

Lange adem


In december 2020 verhuisde ik met mijn gezin vanuit Amsterdam terug naar Texel. Een keuze waar ik nog geen seconde spijt van heb gehad. Af en toe wordt mij gevraagd of ik de stad niet mis. Dan antwoord ik resoluut ‘nee, geen moment’. Eén van de dingen waar ik naar uitkeek toen ik nog in Amsterdam woonde, was het hebben van een eigen tuin. Dat gevoel werd altijd versterkt op zonnige dagen. Dan zat je op je balkon, luisterend naar gesprekken waarvan je ongewild deelgenoot werd. Gesprekken van onder, boven, links en rechts. Of naar de muziek van de buurman linksonder, die helaas niet dezelfde verfijnde muzieksmaak had als ikzelf.


Inmiddels heb ik die grote tuin waarnaar ik in mijn Amsterdamse jaren zo verlangde. En inderdaad: een tuin is fantastisch. Je hebt meer privacy dan op een balkon, er is ruimte voor een schuur, een kas, een fietsenhok en allerlei speelmogelijkheden voor de kinderen. Maar ja, een grote tuin betekent ook veel onderhoud. En daar sta je toch minder bij stil als je op je balkon een beetje voor je uit zit te mijmeren. De afgelopen jaren is er al het nodige gebeurd in de tuin. Zo is er voor de kinderen een voetbalveld aangelegd en zijn er een ingegraven trampoline en een multifunctioneel speeltoestel verrezen. Vorig jaar lag het tuinplan in het voorjaar en de zomer stil wegens een hernia van ondergetekende. Dat betekent dus dat ik dit jaar werk moet maken van het achterstallig onderhoud. Bovendien staan een vijver, een fietsenhok en een houthok hoog op de verlanglijst.


Ondertussen ben ik al jaren verwikkeld in een strijd met een woekerende rozenbottelstruik die het gemunt heeft op het voetbalveld. Vanuit de ondergrond wordt mijn gazon voortdurend belaagd, onder meer door mos en het vermaledijde biggenkruid. In de borders liggen weer twee andere vijanden op de loer: fluitenkruid en de aronskelk. Als je ook maar even niet oplet, overwoekeren ze alle bloemen en planten die je met zorg en toewijding hebt geplant. Ook de heg moet ik scherp in de gaten houden, want daar wacht de braam rustig zijn kans af om toe te slaan. En van al die woekerende planten is de braam waarschijnlijk wel de meest hardnekkige. Naast het feit dat hij beschikt over een behoorlijk afschrikwekkend afweersysteem - doorns -, is hij amper uit te roeien en duikt hij overal op. Zoals je leest, is mijn botanische kennis sinds mijn komst naar Texel flink toegenomen en mag ik onkruid inmiddels tot mijn specialiteiten rekenen.


Afgelopen zondag maakte ik een wandeling door het bos en ook daar viel mij iets op: de bramenstruiken lijken het niet uitsluitend op mijn tuin gemunt te hebben. Ook in De Dennen winnen ze terrein. Tenminste, die indruk kreeg ik toen ik aan het einde van de Ploeglanderweg, bij de kruising met de Randweg, even voorbij de Roverhut, zag dat er geen boshyacinten groeiden, maar bramen. Voorheen was het daar altijd een blauwe oase van boshyacinten, maar dat lijkt verleden tijd.


Even verderop, ook aan de Randweg - tussen de barbecueplaats en het Turfveld -, leek de braam eveneens op te rukken. Net als ik in mijn eigen tuin pleeg te doen, vroeg ik mij af hoe dat nu ineens komt. En belangrijker nog: hoe zijn deze oprukkende bramenstruiken te beteugelen? Heeft het te maken met recente werkzaamheden in het gebied? Is het simpelweg de natuur die haar gang gaat? Of speelt er iets anders? Misschien zie ik het verkeerd en is er niets aan de hand. Maar één ding weet ik wel, met mijn inmiddels bescheiden doch groeiende botanische kennis: de strijd met een bramenstruik is er een van de lange adem.


Pepijn