Afbeelding

Feuilleton

Feuilleton door Wim Drijver


32.     Ga je of bluuf je?


Het is een maatschappelijk fenomeen dat in mijn jeugd begonnen is. Want tot de jaren vijftig lag voor de meesten van ons het leven in grote lijnen wel vast. Waar je, valt lig je. Voor iemand die op Texel opgroeide was de overkant nauwelijks een optie. Mijn vader die in 1947 vanuit Den Hoorn naar de HBS in Bloemendaal ging was een van de eersten die ongewild een steen in de vijver wierp. “Hè, ken dat ook nag?” 

De verruiming van mogelijkheden in de jaren zestig en zeventig veroorzaakte naast perspectief ook spanning. In de samenleving maar ook individueel. Want waar je voorheen veelal voortborduurde op de door familie en omgeving gebaande paden kon je nu ook in het diepe springen. Je kon bijvoorbeeld naar de overkant om te studeren. Mijn ome Hans deed dat in Amsterdam al in de jaren vijftig, maar dat was uitzonderlijk. Toen ik in 1977 klaar was met het Atheneum niet meer. Het was nog wel een gespreksonderwerp geweest in de jaren ervoor. De inhoud van de gedachtenuitwisseling kwam neer op de kernvraag: “ga je of bluuf je?” Meer dan de helft ging, onder wie ik. Het één was niet beter dan het ander, maar het was wel een keuze met consequenties. Het kwam er namelijk op neer dat je weer opnieuw kon beginnen.

In de jaren voordat ik ging heb ik op dat lieflijke eiland heel wat strijd gevoerd. Met mijn ouders, mijn dorpsgenoten, mijn medespelers en tegenstanders op het voetbalveld, met sommige klasgenoten en medescholieren, met leraren en ga zo maar door. In mijn herinnering streed ik met open vizier en humor maar vaak ervoer de wederpartij dat heel anders. Die vond mij gewoon vervelend. Achteraf bezien is het jammer en ik ben er zeker niet trots op.

Altijd alert zijn, als een prooidier in de natuur. Het gevoel hebben dat je alleen veilig bent door je ofwel te verdedigen of aan te vallen. En aanvallen was in mijn geval een tomeloze ambitie om iedereen te laten zien dat ik er was. Door te presteren maar ook door te provoceren. Daaraan ten grondslag ligt natuurlijk onzekerheid. Het gevoel hebben niet goed genoeg te zijn. Want waarom bakent een jongen zijn eigen identiteit af door op te vallen en zich af te zetten tegen anderen? Omdat de eigenwaarde die innerlijke rust geeft en het mogelijk maakt anderen op een natuurlijke manier te respecteren kennelijk laag is. En waarom was die basis bij mij kwetsbaar? Nu ik terugkijk was dat een complex samenspel van factoren, maar de kern was dat ik er in mijn beleving nooit helemaal bij hoorde. En dat ik zo lang klein bleef hielp ook niet. Op bijgaande foto, genomen tijdens een ludiek schooltoernooi, zat ik in de zesde klas van het Atheneum. U mag raden wie ik ben.


Neemt u mij niet kwalijk

Dat ik ook besta

Neem mij niet kwalijk

Dat ik gestaag verder ga

Mijn excuses voor dat 

Onnodig hinderlijke


Mijn excuses voor dat

Irritant kinderlijke

Verontschuldigingen 

Voor de ervaren overlast

Verontschuldigingen 

Zijn het enige dat past


Sorry zeg ik nederig

Tegen al degenen

Het spijt mij voor

De bange lange tenen

Vergeving vraag ik hier 

Voor al mijn provoceren


Vergeving alstublieft

Al zal ik het nooit leren