
Feuilleton
Feuilleton door Wim Drijver
27. Twijfel
Fietsend naar huis nam ik de stand van zaken nog even door. Enerzijds goed bezig en anderzijds dat vaag opspelende verlangen naar meer, nieuw, anders. Wat dat anders zou moeten zijn wist ik niet, maar het had in ieder geval te maken met voetbal en andere scenario’s waarin ik een glanzende hoofdrol zou vervullen.
Al te lang piekeren deed ik niet, de zuidwestenwind blies mijn hoofd leeg en zorgde ervoor dat ik terugkeerde in het moment. Op een eiland gebruik je intensief je zintuigen. Je kijkt doorlopend om je heen, je voelt en hoort de wind, je ziet en hoort de vogels, je ruikt het landschap. Kortom, je leeft in het nu en dat is goed voor je geestesgesteldheid.
Vanuit het dorp fietste ik zuidwaarts de Mokweg op. Links en rechts De Naal, met jaarlijks wisselende weilanden en bollenvelden. Eenmaal in bloei ontstond er een kleurrijk en geometrisch soort van Mondriaan-schilderij in het landschap. Ik heb ome Willem daar een keer te midden van de kleurenpracht in zijn blote reet op de trekker zien zitten. Eén hand aan het stuur en met de andere draaide hij in zijn handpalm een shaggie, waarna hij het geheel - nog steeds met één hand - even langs zijn tong haalde en klaar was het zoveelste rokertje. Dat was het vrijgevochten gedrag waar ik als jongen iets mee kon en respect voor had.
Voorbij de Rommelwêêl links en de jonge naaldbomenaanplant van de zich steeds verder uitbreidende camping rechts ontvouwde zich een adembenemend mooi landschap. De oude - op drie bebouwde kavels na - lege polder De Kuul met schapen en bloemen, aan de oostkant ingekaderd door de Nieuwelanderdijk en aan de zuid- en westkant door de als oppervlakkige boomwortels landinwaarts kronkelende uitlopers van De Geul en Loodsmansduin.
Fietsend langs het huis van bollenboerbuurman Sieme ‘Dakgoot’ de Jager stuurde ik voor het wildrooster linksaf het laatste doodlopende stukje van de Mokweg op. Halverwege lag ons huis, een gloednieuwe bungalow met alle kenmerken van de jaren ’70-architectuur, met een tuin zo groot als een park omringd door tuunwallen en bomen - en struikensingels. Een huis dat, om de vergunning te verkrijgen, daar zogenaamd gebouwd was als de bedrijfswoning van mijn opa, die er omheen natuurlijk zijn land en duinen had, maar waar wij met ons gezin na oplevering door de firma Koorn in 1974 direct introkken. Een geniale zet van mijn vader, die dit idee van mijn opa met frisse tegenzin doorgezet had. “Dat ken niet!”, maar gebeurde toch.
Voor mij uit vloog de steeds zeldzamer wordende tapuit van heiningpaaltje naar paaltje, met zijn nerveus opwippende staart en witte stuit. Ergens verderop zong de leeuwerik in de lucht haar helder lied, dat als een werpnet over het duingebied vol leven eronder werd uitgestort. In de lucht de beloftevolle geur van het voorjaar, die de zintuigen prikkelde en de ramen in mijn hoofd wijd opengooide. Niet dat daarmee een grote stofwolk naar buiten kwam, ook in de winter was ik scherp gebleven en had ik mij vermaakt, maar verfrissend was het wel. Als de narcissenbol die zich in de winter onder de grond koest houdt, maar in het voorjaar letterlijk tot bloei komt.
Aan het einde van het doodlopende weggetje de deels rietgedekte boerderij Eind van de Wereld, waar ik een paar keer per week voor mijn moeder een kannetje melk haalde. En rechts van mij in de duinen langs het Molwerk de iconische boet ‘het Vlakkie’.