Afbeelding

Feuilleton

Feuilleton door Wim Drijver


26.        Oma 2


Omdat het voetbalzondag was, kon oma niet naar tante Ida van buurbakker Duinker (uitvinder van de beroemde Hoornderring) om een slagroomtaartje of een mergpijp te halen, maar die teleurstelling had ik al ingecalculeerd. Uit de muurkast kwam als alternatief de schaal met lekkers tevoorschijn en ik koos wat chocola en na wat aandringen ook nog een niet helemaal verse krakeling. “Wat wil je drinken, jongen? Wat prik?” “Astebluuft”, was mijn beleefde antwoord, terwijl ik mij met de Panorama uit de leesportefeuille installeerde aan de krappe eettafel. 

Aan de overzijde hing aan de muur een schilderij van Blok van der Velden, de Texelse van Gogh. Een nostalgisch tafereel met een blik op het witte kerkje, in 1944 geschilderd vanaf 'het Slingerweggetje' (Lagewegje). Op het Kerkeland voor de kerk zie je een boer die met drie paarden naast elkaar aan het ploegen is. Volgens mijn vader moest dat Ome Willem zijn, want hij was de enige in het dorp die dat kon. Ik vond het schilderij toen al mooi.

Een aandachtig gesprek, waarbij je elkaar aankijkt en serieus luistert, voerde ik nooit met mijn oma en misschien wel met niemand. Terwijl ik in het weekblad bladerde op zoek naar sensationele of pikante foto’s, keuvelden we wat over het weer, lammetjes, voetbal of de jacht. En hoe het op school ging, maar daar had oma inmiddels wel vertrouwen in. Of ik ook vroeg hoe het met haar was, kan ik mij niet herinneren, maar ik denk van niet. 

Pas veel later begreep ik dat er ook in haar leven spanningen waren. In het dorp heeft ze na het huwelijk, komend uit Oosterend, nooit echt de aansluiting gevonden en ik vermoed dat ze ook wel eenzaam is geweest. Dat zou de tic kunnen verklaren die haar lieve hoofd, vooral bij spanning, onbedwingbaar liet trillen. Heel sneu, maar voor mij toen niet echt relevant, ik kwam voornamelijk voor mijzelf. Voor het gevoel gelukt te zijn, in ieder geval als kleinzoon, en voor de trage voorspelbaarheid van mijn zo gewaardeerde bezoek.

“Wo jee nag wot aars, jonguh?”, vroeg oma na een half uur, omdat ze wel wist dat de lengte van de visite in belangrijke mate afhing van het qua versnaperingen gebodene. “Nee, ik ga naar huus, nag effe wot doen”, zei ik meedogenloos met de kruimels van de droge krakeling nog in mijn mond. “Oooh Gannef, wacht dan geef ik je nag een centje, dan kei je nag wot kope”, zei oma en ze haalde de leren portemonnee uit de lade van de bruine servieskast achter haar. 

Waar ik hoopte op een gulden werd het meestal een kwartje, maar ik was er blij mee en ook dit door oma listig uitgeworpen lokaas stimuleerde mij om snel weer een keer terug te komen.


Mijn bezoek een moment

Dat we er toe deden


Liefde ontvangen

Aanwezigheid geven


Oma kon zorgen even

Heden geen verleden


Ik was in harmonie

Zijn zonder streven


Zo hielp ik haar

En wij elkaar