Afbeelding

De Overkant

Een feuilleton door Wim Drijver

25. Oma 1

Binnen was weinig licht en rook het muf omdat er in het grootste deel van de schuur aan het Lage Achterom geen fundering of bestrating was en de bodem bestond uit zand. Boven mij, in de kap, het hooivak dat volgestouwd was met hooi en stro. Ik kon recht doorlopen door de gang naar de tuin. Maar dan moest je eerst even zijwaarts langs de stokoude grijze Sparta-brommer van mijn opa, die ik vanaf mijn vijftiende levensjaar nog wel eens ongevraagd 'leende' als ik zaterdagavond uitging in het hoofddorp Den Burg.

Ik fietste dan eerst vanaf huis naar het dorp en wisselde dan ongevraagd mijn Gazelle in voor opa’s bromfiets, die je het best in de versnelling kon aanlopen. En als ik dan midden in de pikdonkere nacht weer slingerend terugkwam in Den Hoorn, was ik vaak te beschonken om de brommer weer in te wisselen voor het laatste huiswaartse stukje over de Mokweg. Op zondagmorgen werd mijn vader dan gebeld door zijn vader, die stuurs vroeg waar zijn tweewieler was. De dader sliep boven de slaap der onschuldigen en droomde van grootse avonturen.

Terug naar het Lage Achterom. Voordat je door het deurtje aan de tuinkant van de schuur, waar zelfs ik even moest bukken, weer tevoorschijn kwam keek ik even naar links. Er hing daar aan een paar roestige spijkers in de zijbalken vaak wat gevogelte en zeker een paar geschoten of gefretteerde konijnen. Naast het wild nog wat klemmen, fretteernetjes en drogende konijnenvachten.

Aan de andere kant van de gang waren twee voormalige kalverboxen, waarvan de eerste, grotendeels dichtgeslibd met allerlei rommel, nog met moeite gebruikt kon worden als simpele werkplaats. Er was een werkbank met wat roestig gereedschap, een oude bankschroef en onder meer een blik met kromme spijkers die, indien nodig, recht geslagen werden voor hergebruik. Recycling was toen geen modeverschijnsel maar een vanzelfsprekende noodzaak. Als er al iets werd weggegooid, betekende dat ook werkelijk het failliet van het bestaansrecht.

De achterste box was uiteindelijk opgegeven, nauwelijks meer bereikbaar door alle voerbakken, juthout en andere troep die er in de loop van de jaren via mijn opa’s werkhanden was aangespoeld. Ik heb daar in mijn jeugd misschien een paar keer nieuwsgierig rondgeklauterd, maar was altijd blij als ik weer heelhuids terug was in de gang. Ergens in het donker stond ook nog een soort kist met ren voor de albinofretten die gebruikt werden voor de konijnenjacht. Wanneer mijn opa op de weg een aangereden vogel of konijn vond, nam hij die het mee om in het hok te gooien. De slanke nachtdieren met gelige vacht en rode ogen lieten het binnen een paar dagen, op wat veren, botten en stukken vacht na, als piranha’s verdwijnen.

Aangekomen in de tuin zag ik mijn lieve oma al zitten aan de eettafel achter het raam. Ze zwaaide en veerde door mijn komst zowel fysiek als mentaal op uit haar voor mij toen nog onbekende beslommeringen.


  1. Oma was voor mij heel simpel
    Veiligheid, een taartje, een gulden


  2. Op mijn twaalfde een echt horloge
    Onvoorwaardelijk welkom zijn


  3. Maar het trillen van haar hoofd
    En op tafel roffelende vingers


  4. Vertelden stilletjes haar verhaal
    Terwijl ik het jeugdig woord had