Den Hoorn
Den Hoorn

DE OVERKANT

Een feuilleton door Wim Drijver 


24.            Het dorp


Zelf stapte ik na de wedstrijd, op zoek naar nieuwe prikkels, gelijk op mijn fiets. Een Gazelle Sport F waar ik bij fietsenmaker Henk ‘Pruts’ Troost een racestuur op had laten zetten. Vanaf het voetbalveld reed ik aan de westelijke kant het langgerekte dorp in. Eerst was daar het Klif, dat afwisselend bestond uit huizen en een paar boerderijen. Dan de hoger gelegen Herenstraat met aan het begin rechts uitzicht op de Jan Drijverschool. 


Voorbij de loodshuisjes op de hoogte van sigarenwinkel ‘De vrolijke trekker’ (achteraf best een aparte naam), waar je ook terecht kon voor klompen, leren klompsloffen en laarzen, ging ik naar rechts het Hoge Werfje af, pension Happy Days links achter mij latend. Het ‘Hoge’ van het Werfje was relatief, maar in de winter als er sneeuw was sleden we hier naar beneden. De kunst was dan om zover te komen dat je tegen het hekje van één van de achtertuinen van de Naalrand knalde, in de hoop dat er iemand boos naar buiten kwam. 

Peter en ik hadden beiden een oude slee die nog van onze tweeling tante’s Nel en Dieuw waren geweest. Die waren zwaar en stevig met een soort van stootbumper voor en zeer geschikt om tijdens de afdaling de andere kinderen op lichte sleetjes van de baan te drukken. Op het Lage Achterom aangekomen fietste ik linksaf langs de diepe tuinen van de huizen met de oneven nummers van de Herestraat. De grootste was van de witte dominee’s woning. Veel van de tuinen hadden een moestuin en hier en daar stond ook een appel, peren of pruimenboom. 

Het dorp met 550 inwoners was een autarkie, bijna volledig self supporting, vrijwel alle eerste levensbehoeften konden lokaal worden vervuld. En lukte het niet in de winkels of in de moestuin dan waren daar nog de jacht, de visserij en de buren. Onderling was er een actieve ruilhandel. Jagers zoals mijn opa leverden wild aan de opkoper van de overkant maar ook aan familie en dorpsgenoten en als je zelf geen moestuin had was daar meestal wel een ander die aardappels of groenten over had. En veel mensen kenden wel iemand in Oudeschild of Oosterend die af en toe een maaltje vis kon regelen. Soms kreeg je wat terug, maar er werd ook veel gegund. Je had elkaar immers vroeg of laat nodig. 

Mijn opa en oma woonden in de Herenstraat en vaak, als ik mij verveelde, wipte ik daar even aan voor wat warme aandacht en lekkers. De tuin was zo breed als het bescheiden huisje maar wel dertig meter diep met een waterput, een grasveldje, een bloemen- en moestuin en aan het Lage Achterom een deels stenen, deels houten boerenschuur. Achter die schuur parkeerde ik mijn fiets in het gras (niet op slot, nerreges voor nodig) tegen de juthouten erfscheiding, met aan de andere kant de oprit van Gerrit Wilner. Vervolgens pakte ik de antieke ijzeren klink van de houten schuurdeur en drukte die naar beneden. 



Het dorp is mijn vertrouwde jas

Die lekker zat maar plots te klein was


Maar van de wereld voor geen geld

Aan de kapstok zolang het knelt


Fijn dichtbij in geur en zicht

Je weet nooit of ik krimpend zwicht