
"De saamhorigheid was groot"
Toen Albert Winter in 1985 zijn eerste kilometers op de ziekenauto maakte, telde Ambulancedienst Texel niet meer dan drie chauffeurs en reed hij ook nog regelmatig zijn ritjes op de taxi. "Iedereen kende elkaar en de zelfredzaamheid was groot."
Een gesprek met Albert Winter (60) gaat over veranderingen en over werkomstandigheden die nauwelijks meer voor te stellen zijn. Zo verzorgde de Texelse ambulancedienst in zijn beginjaren nog regelmatig 'overplaatsingen' naar Duitsland, van vakantiegangers die liever in eigen land werden geopereerd of niet meer lang te leven hadden en thuis wilden sterven. Een logistieke operatie van de eerste orde, al was het maar omdat navigatiesystemen nog niet bestonden en de chauffeur alles zelf moest uitzoeken. "Je ging met de eerste boot weg en plande het zo dat je met de laatste terug naar Texel kon. Daarna had je 's nachts vaak gewoon dienst."
Regels voor maximumrijtijden bestonden al wel, maar er werd niet op gecontroleerd. "Laten we zeggen dat we er geen last van hadden. Voor huisartsen en de TESO-bemanning gold hetzelfde. Die kwam je 's nachts soms ook twee of drie keer tegen, nadat ze al de hele dag hadden gewerkt. Je wist niet anders en paste je aan de situatie aan."
Albert rolde bij toeval in het vak. Na zijn diensttijd als marinier op Aruba zat hij voor een bakkie koffie bij zijn oude vriend Rob Smidt, met wie hij de liefde voor oude auto's en motoren deelde. Robs ouders waren Toon en Nel Smidt, die in Den Burg een taxibedrijf combineerden met de Texelse ambulancedienst. "Nel vertelde dat ze nog wel een taxichauffeur konden gebruiken en Rob vroeg of ik niet even wilde bijspringen. 's Middags ging ik naar het gemeentehuis om een taxiboekje te halen. Dat had je nodig om te mogen rijden. De dag erop maakte ik mijn eerste rit."
Een opleiding was er nog niet, je leerde het vak in de praktijk
Niet veel later stopte ambulancechauffeur Martin Jongejan en rees de vraag of Albert hem wilde opvolgen. "Ik ben een paar keer meegegaan, onder hoede van de ervaren Ben Jas. Een opleiding was er nog niet. Je leerde het vak in de praktijk. Je had de eerste of tweede uitruk, zoals dat heette. Bij de eerste moest je altijd paraat zijn, maar bij de tweede kon je tussendoor best nog best een taxirit maken. Verpleegkundigen Trijntje Troost en Elly Luyckx haalden we thuis op met de ambulance. Tegenwoordig zorgen opleidingen en protocollen ervoor dat behandelingen uniform zijn. Medewerkers uit Groningen en Limburg hebben misschien moeite elkaar te verstaan, ze weten precies wat ze moeten doen."
Dat wil niet zeggen dat het amateuristisch was. "De Texelse ambulancedienst was een van de eerste met een verpleegkundige aan boord. We hadden ook een defibrillator. Dat was landelijk lang niet overal het geval. Texel was vooruitstrevend. We moesten onze eigen broek ophouden, ook wegens de bootverbinding. Het duurt bij ons toch wat langer om iemand naar het ziekenhuis te brengen."
Van hun kwetsbaarheid zijn de medewerkers zich altijd zeer bewust geweest. "Ook toen al hadden we twee auto's, al was dat niet vanzelfsprekend. Landelijk was er de regel dat een gemeente recht had op één auto per 30.000 inwoners. Wij hadden er twee op 13.000. Dat was door het toerisme gewoon keihard nodig, net zoals we nu eenmaal meer artsen en tandartsen nodig hebben. Maar het was steeds touwtrekken om dat voor elkaar te krijgen."
Het was maar een klein clubje mensen dat de dienst verzorgde, met niet meer dan drie vaste chauffeurs: Paul Smidt, Ben Jas en Albert zelf. "Af en toe hadden we een losse chauffeur en er waren ook maar een paar verpleegkundigen. Als chauffeur verleende je hand- en spandiensten. Je deed bijvoorbeeld ook de facturatie of maakte de roosters." Het gemiddelde aantal ritten schommelde tussen de 500 en 600 per jaar. "Gemiddeld anderhalf tot twee per dag. Maar het kwam ook voor dat je 's nachts drie keer keer naar Den Helder moest."
De belangrijkste taak van de chauffeur was het vervoeren van de patiënt. Daarnaast assisteerde hij de verpleegkundige bij de eerste handelingen. "De eerste klap is een daalder waard, dat is niet anders dan vroeger. Wel hebben we veel meer apparatuur aan boord. Toen ik begon, had een van de ambulances zelfs nog een brancard die we zelf moesten dragen. Ook ergonomisch en arbo-technisch is er veel veranderd."
De dienstdoende medewerkers droegen een pieper bij zich. Uit de gesproken en gecodeerde boodschap die bij een alarmering klonk, konden ze opmaken of het om bijvoorbeeld een hartaanval ging of een vrouw in barensnood en of er al dan niet spoed bij was. En daarna moesten ze erop af. "Navigatie hadden we niet, wel een stratenboek en plattegronden van alle vakantieparken. Maar dan nog moest je soms goed zoeken. Tegenwoordig is er een computersysteem aan boord, waarin ook alle omleidingen en blokkades staan."
Hoeveel ritten de ambulances nu precies maken, heeft Albert niet paraat, maar het zijn er heel veel meer. Dat wordt veroorzaakt door de groei van het toerisme, maar ook door de vergrijzing. Daar komt bij dat de zelfredzaamheid een stuk minder is geworden, denkt hij. "Het gebeurde wel dat Texelaars op vrijdagavond ziek werden, maar in de krant zagen welke arts er weekenddienst had en besloten: oh, dan wacht ik wel even en bel ik maandagochtend mijn eigen arts." Lachend: "Maar de maandag haalden ze soms niet. En dan moesten wij alsnog opkomen."
Een hilarische rit waaraan hij nog wel eens terugdenkt, was naar een vakantiepark waar een zwangere vrouw moest worden geholpen. "Ze was pas zeven maanden zwanger, zei ze zelf, maar huisarts Klaas Eissen zag gelijk dat ze het ziekenhuis niet zou halen. De baby moest ter plekke worden geboren. Toen het kind ter wereld kwam, was gelijk duidelijk dat de moeder zich had vergist. Het kon zo door naar de kleuterschool, zo groot was het. Probleem was dat de ouders nergens op hadden gerekend. Maar het was nacht en de winkels waren dicht. Het toeval wilde dat ons jongste kind nog een baby was. Ik ben naar huis gereden en heb wat luiers en kleertjes gehaald."
En weer valt de term zelfredzaamheid. "Het was allemaal veel kleinschaliger. Iedereen kende elkaar, er was een goede samenwerking met de politie en we hadden de back-up van De Mok, voor als de boot een keer niet kon varen. De saamhorigheid was groot en iedereen deelde hetzelfde verantwoordelijkheidsgevoel. We hebben ook veel te danken aan de familie Smidt en de pioniersrol die ze speelden."
Door de schaalvergroting is er veel veranderd. Kwam er eerst een meldkamer in Den Helder die de ambulanceritten aan twee kanten van het Marsdiep coördineerde, later verhuisde die via Schagen naar Alkmaar en werd het bijbehorende gebied steeds groter. Inmiddels is Texel onderdeel van de organisatie Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. "Daar horen alle gemeenten boven de lijn Purmerend en Alkmaar bij. Als je nu 112 belt, nemen ze de telefoon op in Haarlem. De regio telt zes ambulanceposten, waarvan twee op Texel. In totaal hebben we vijfentwintig ambulances en drie rapid responders (een klein ambulancevoertuig met wel een verpleegkundige aan boord, maar geen ruimte voor een patiënt, red.)."
Sinds een jaar of tien rijdt Albert niet zelf meer op de ambulance. Schouderproblemen en een paar -operaties noodzaakten hem te stoppen. Sindsdien is hij facilitair manager. In die functie is hij verantwoordelijk voor de aanschaf en het beheer van alle middelen, inclusief auto's en gebouwen. Een veelomvattende baan. Zo werden de afgelopen jaren ambulanceposten gebouwd en verbouwd in Den Helder, Wognum en Hoogkarspel en kreeg Texel er een tweede post bij, in De Waal. "De ervaring die we daarmee opdoen, delen we met andere veiligheidsregio's. We hebben allemaal met vergelijkbare omstandigheden te maken. En je hoeft niet steeds opnieuw het wiel uit te vinden."
Samen met twee collega's houdt Albert zich op landelijk niveau bezig met de transitie naar elektrische auto's. "Een enorme uitdaging, al was het maar omdat een ambulance door alle apparatuur veel meer stroom verbruikt dan een personenauto. Vragen waar we ons mee bezig houden zijn onder meer waar we stroom moeten opwekken en hoe we daarin kunnen samenwerken met ziekenhuizen."
Dat hij zelf dertig jaar chauffeur is geweest, ziet Albert als een groot voordeel. "Leveranciers kunnen mij niks wijsmaken." Over de vraag of hij de hectiek van de ambulance wel eens mist, denkt hij even na, maar zijn antwoord is daarna toch resoluut. "Ik hou van de dynamiek van het vak. 's Ochtends weet je niet hoe de rest van de dag zal verlopen en ik hou er niet van om lang binnen te zitten. Maar veel kwam altijd aan op mijn vrouw Conny. Ze moest alleen naar ouderavonden, op verjaardagen was ik er niet altijd bij en de feestdagen verliepen ook anders dan bij mensen met een gewone baan. Voor mijn nieuwe functie woon ik een paar dagen in de week in Alkmaar. Maar als ik op Texel ben, ben ik ook echt thuis en hebben we tijd voor elkaar. Bovendien heeft mijn nieuwe functie mijn wereld verrijkt. Mijn vakgebied is heel divers en ik ontmoet nog steeds veel verschillende mensen. Maar het is fysiek minder zwaar en ook een stuk minder hectisch. Dit werk wil ik graag nog een paar jaar blijven doen."
Joop Rommets


