Afbeelding
Foto: Aangeleverd

De overkant


Een feuilleton door Wim Drijver

18.         Poten

In het schoolkwartier, dat meestal schoolvijfentwintigminuten werd, zwermden we naar buiten. De Jan Drijverschool lag midden in het dorp en vormde er de kern van. Als er toen al drones hadden bestaan en één had er boven het dorp gehangen, dan had je op doordeweekse dagen vanuit alle richtingen de kinderen tot en met twaalf jaar oud rond 8:45 uur naar de school zien trekken. Net zoals de schapen van mijn Opa zich verplaatsten in de duinen volgens vaste uitgetrapte paden, sommigen decennia oud. 

De school als hart van een gezonde leefgemeenschap, een drinkplaats voor kennis en ervaring. De meeste kinderen kwamen lopend, sommigen op de fiets, vooral vanuit het buitengebied met omliggende boerderijen en een enkele burgerwoning. Er was een schoolplein met van die vierkanten betonnen tegels en aangrenzend een driehoekig grasveldje. Op dat veldje werd eindeloos gevoetbald. 

De teams waren snel verdeeld, van de schaarse speelminuten moest geen tijd verspild worden. De twee meest bazige jongens stonden een meter of vijf uit elkaar en zetten één voor één een kleine stap in elkaars richting door de voet aansluitend achter de andere te plaatsen. Degene die de laatste stap kon zetten met de hele voet in de steeds kleiner wordende tussenliggende ruimte had gewonnen en mocht als eerste kiezen. 'Poten' noemden we dat ritueeltje. Nadat er ongeveer vijf keer door aanwijzen of het noemen van een naam een jongen (de meisjes waren op het plein aan het touwtjespringen of deden tikkertje) geselecteerd was werd 'het ressie' door een van de aanvoerders met zijn arm in tweeën gedeeld en bij de verschillende teams geduwd. 

Best wel hard, maar toch ging dit meestal goed, zonder gedoe of morren. Nadat er met een paar kledingstukken twee doeltjes waren gemaakt, gingen we los. Samengespeeld werd er nauwelijks, als een groep kokmeeuwen die een broodkorst zien, stortten we ons op de bal. Af en toe zeilde er al kluitjesvoetballend, na een wilde trap van een van de motorisch wat minder getalenteerden, een bal over de heg in de erftuin van boerderij Klif 1 naast de school. 

“Nou, nou, wot mot dot allegaar”, hoorde je dan aan de andere kant van het struikgewas als boer Simon Lap (zijn kleindochter Irene zat bij mij in de klas) daar dan toevallig was. Toch stond hij je toe onder de struiken door te kruipen om de bal terug te halen. 

In een dorp op een eiland is het leven en laten leven, je bent tot elkaar veroordeeld en moet het met elkaar doen. Mopperend samen verder.