Stratenmaker Jan  Witte is een man die de humor er in houdt. Kwinkslagen en woordspelingen zijn zijn handelsmerk.
Stratenmaker Jan Witte is een man die de humor er in houdt. Kwinkslagen en woordspelingen zijn zijn handelsmerk. Foto: Gerard Timmerman

Een Texelaar die op veel plekken zijn sporen  heeft nagelaten

 

Als stratenmaker Jan 'Steert' Witte aan de Duykerdam in Den Burg de deur uit stapt dan loopt hij over de klinkers die hij ooit zelf op zijn plek heeft gelegd. Ondanks de mieren en andere bedreigingen, ligt het plaveisel er nog net zo keurig bij als hij het een jaar of 24 geleden heeft gemaakt. Donderdag vierde hij zijn zilveren jubileum bij Westerlaken BV, aan het eind van deze maand gaat hij met vervroegd pensioen.

Een man de op veel plekken op het eiland zijn sporen heeft achtergelaten. Overdreven gesteld kun je bijna geen straat tegen komen of Jan Witte heeft er wel aan gewerkt. 'Jan heeft bijvoorbeeld bij alle drie de rotondes in Den Burg gestraat', vertelt werkgever Erik de Graaf. In een ver verleden, toen de gebroeders Hans en Dirk Westerlaken de scepter zwaaiden in het bedrijf, werkten de twee samen aan het fietspad door de Dennen. Jan Witte: 'De tegels lagen in lintverband, maar daardoor vormden zich brede gleuven die gevaarlijk waren voor fietsers. Wij hebben al die tegels in opdracht van Staatsbosbeheer halfsteens gelegd.'

Witte kwam in 1975 in dienst van de firma Westerlaken & Zonen, toen oprichter Gerrit Westerlaken aan het hoofd stond. 'Ik ben begonnen als opperman. Mijn eerste klus was de aanleg van de Boogerd. Het was in de bielzentijd. Die houten balken werden gebruikt voor afbakening van perken en plantsoenen. Ik hielp om die gevaartes op hun plek te leggen, maar ook bij het banden zetten en andere werkzaamheden. Ben Witte, mijn neef, was toen de stratenmaker. Van hem heb ik veel geleerd. Later hebben we de Noordwester aangelegd. Aan de Duinreep moesten we zoals dat heet omhoog straten, want je had daar rond de bomen van die 'pukkels'. Stratenmaker Jaap Schrama bedacht toen de naam Borstenbuurt. Sommige mensen wisten niet waar het vandaan kwam en hadden er heel andere gedachten bij.

De Graaf: 'Jan heeft het zich allemaal zelf aangeleerd.' Witte: 'Ach, van het een kwam het ander. Het belangrijkste is een goeie ondergrond. Een stevig, dik zandbed. Goed aantrillen en goed vlak maken. Een straat moet natuurlijk mooi rond lopen. Sjoerd Veenstra deed dat met een rij', demonstreert hij hoe je op het oog de ronding aanbrengt in het zandbed.

De Binnenburg, de Waalderstraat, de Parkstraat zijn allemaal het werk van Witte en ook de bult op de Groeneplaats heeft hij helpen aanleggen. 'Dat was in 1987. Eddie Momberg had het ontworpen. Maar toen we aan het werk gingen had hij de tekeningen nog niet klaar. ''Begin alvast maar, de tekening komt later wel'', zei hij. Zo ging dat in die tijd. Maar dat zou nu echt niet meer kunnen. Voordat we de schop in de grond steken, moet eerst het papierwerk op orde zijn.'

Witte kwam ook bij menig particulier over de vloer, voor de aanleg van straatjes, terrasjes en pleintjes en ander plaveisel. 'Tegenwoordig hebben ze allemaal van die tuingidsen waar allerlei kant-en-klare ontwerpen in staan. Maar die had je voorheen niet. Toen keken ze ons aan of wij iets wisten. Ik vond het leuk om patroontjes bedenken voor de mensen en Hans en Dirk Westerlaken hadden ook veel ideeën. Mensen kwamen ook zelf met suggesties. Dat ze bijvoorbeeld een rondje onder de tafel wilden. Ik wees ze er dan op dat je dat niet ziet, maar wel als je aan weerskanten van de tafel van die bolletjes maakt. Ik vond het ook leuk om hier op zaterdag te zijn. Dan kwamen er allemaal mensen langs, met vragen of die stenen wilden kopen. Daar zat dan weer werk aan vast. Atty Westerlaken was er dan ook, we deden het samen.'

De Graaf: 'Jan heeft de opkomst van de tuintjescultuur meegemaakt. Witte: 'Er was een tijd dat overal van die gewassen grindtegels werden gelegd. Ons bedrijfsterrein lag er helemaal vol mee. Van die dingen van vijftig bij vijftig centimetere en zeven dik. Niet te tillen. Als ik daarmee een dag had gewerkt, dan was ik 's avond kapot. Maar de volgende dag gewoon weer aan de slag. Na de grindtegels kreeg je cobblestones. Van die mooie kleine steentjes. Eerst die van elf bij elf bij zeven centimeter en later van tien bij tien bij zes. Die waren een stuk beter te hanteren. Tegenwoordig heb je van alles. Ik denk dat we hier wel honderd verschillende soorten stenen hebben liggen. De mode verandert snel, dus je laat het wel om grote voorraden in te kopen.

Het beroep van stratenmaker heeft de naam slopend te zijn voor het lichaam. 'Het is zwaar, zeker vroeger toen er nog weinig machinaal ging. Belangrijk is wel hoe je tilt en dat je goeie, warme kleren aan hebt. Ik deed in november de lange onderbroek aan en pas in april ging hij weer uit. Maar ik zie wel collega's op hun knieën met zo'n blote rand op hun rug. Dat is slecht voor je donder.' Witte oogt niet als een versleten zwoeger die aan het eind van zijn Latijn is. 'Machines hebben het werk een stuk lichter gemaakt. Voorheen gebruiken we de JCB, zo'n trekker met een kraan er achter. Maar die had veel ruimte nodig. In 1987 kochten we als eerste een minikraan. Die kan praktisch overal komen. Die zware banden hoef je niet meer te tillen, al moet je als stratenmaker natuurlijk nog steeds op je knieën.'

Net zo makkelijk stapt Witte zelf op de kraan. Al tijdens de aanleg van de Krakeling in Den Burg, de wijk die in de jaren tachtig in Noordwest werd gebouwd. In de bodem bleken allerlei resten uit de prehistorie te zitten. De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) was ter plekke om de opgravingen in kaart te brengen. 'Ik zat op een draadkraan en moest van de ROB de grond laagje voor laagje afschrapen. Drie jaar heb ik dat gedaan. Dan gooide je de bak voor je uit en trok hem naar je toe. Zo schraapte ik er steeds een laagje van vijf of tien centimeter af. Er kwamen van die cirkels te voorschijn, restanten van oude woonvormen. We hebben ook een graf gevonden met de resten van een mens.'

De Graaf: 'Jan ontwikkelde zich tot een allround medewerker.' Witte: 'Toen in januari 1979 plotseling de winter inviel, waren de wegen door de sneeuw onbegaanbaar. Ik ben in opdracht van de gemeente met de shovel gaan rijden en heb de wegen schoongeveegd.' Hij liet zich ook inzetten voor sloopwerk. 'Ik heb geholpen bij de sloop van de Bruinvisschool, het oude Maartenhuis en ook het laatste huisje aan de Groeneplaats, naast De Zwaan. Ook de binnenkant van de Rabobank hebben we gesloopt. Daar zat zo'n dikke muur in', spreidt hij zijn handen. 'Daar hebben we flink op in moeten hakken.'

Na hoogtijdagen waarin er werk in overvloed is, is het nu in rustiger vaarwater beland en proberen opdrachtgevers aannemers tegen elkaar uit te spelen ten einde er een lage prijs uit te slepen. Maar zo slecht als begin jaren tachtig is het nog lang niet. 'Op een gegeven moment was er in het bedrijf geen werk meer voor mij.' Hij belandde onder meer bij Drijver, waar hij hielp met de aanleg van het kabelnet. Maar toen de orderportefeuille bij Westerlaken na verloop van jaren weer beter gevuld raakte, keerde hij terug op het oude nest. 'Stratenmaker vind ik nu eenmaal het leukst. En ik heb hier altijd met veel plezier gewerkt. Zoals ze hier vroeger voor kwaliteit gingen, doen ze dat nog steeds. Als ik in het verleden een straatje had gelegd en Hans (Westerlaken) vond het niet goed genoeg, dan kon het er weer uit. Dan leer je het vanzelf goed werk te leveren.' Nog steeds als hij straatwerk ziet, ook al heeft hij dat jaren geleden aangelegd, kan hij er van genieten.

De Graaf: 'Jan is nooit een dag chagrijnig op het werk verschenen. Altijd woordspelen, grapjes en kwinkslagen.' De ogen glimmen, Witte is niet alleen de rust zelve, maar ook rijkelijk bedeeld met een bijzondere vorm van humor. Anekdotes over geintjes die hij gedurende zijn loopbaan maakte gaan over tafel. Niet allemaal geschikt voor publicatie, maar een paar mogen er wel naar buiten. Zoals de dag dat hij zijn verjaardag vierde en op het werk onaangekondigd met een doos taart kwam aanzetten. De Graaf: 'Hij zette de doos op een gleuf. Zijn collega's vertrouwden het voor geen cent en dachten dat hij er iets mee uit had gehaald. Geen van allen durfden een gebakje te pakken. Witte: 'Maar ik had er echt niets mee uitgehaald, ze kwamen zó bij de bakker vandaan, er was niks mee aan de hand.' Hij kan er nog smakelijk om lachen. Zijn 'ome' Jan van Sambeek maakte hij eens aan het schrikken met de mededeling dat zijn baas hem had ontslagen. Tegen Van Sambeek zei ik: ''Ik vroeg aan mijn baas waarom, want ik deed toch niks…''

Op 1 april gaat hij officieel met vervroegd pensioen. Dan is natuurlijk de vraag hoe hij daarna zijn dagen gaat vullen. Wellicht wat meer tijd voor zijn liefhebberij biljarten, maar dat is zeker niet het enige. 'Dan heb ik meer tijd voor mijn grootste hobby: in mijn Mercedes rijden. Daar ben ik helemaal gek van.' De Graaf, die niets om auto's geeft: 'Jan rijdt een betere auto dan de baas. Maar je hebt wel pech, want nu hebben we net een Mercedes aangeschaft', doelt hij op een nieuwe bedrijfswagen. 'Dat loop je net mis.' Witte zal zeker nog eens langs komen. De Graaf: 'Zeker op vrijdagmiddag, als we na het werk met z'n allen een biertje drinken.'

Het laatste woord is aan deze markante Texelaar met die bijzondere bijnaam, die door zijn collega's is verhaspeld. 'Toen ik hier kwam werken noemden ze me Jan Steertje, maar tegenwoordig is het Jan Streetje.'

Gerard Timmerman

Jan Witte heeft heel wat  klinkers op hun plek gelegd.