"Bill was mijn moeders broer, beiden geboren en getogen in Den Helder. Mijn tante woonde sinds 1928 op Texel. In november 1943, wij woonden nog in Den Helder, trouwden zij in Den Burg. Een feestelijke gebeurtenis. Zo klein als ik was, ik was erbij: mijn eerste oversteek van het Marsdiep. De Texelse boot voer nog naar Oudeschild en natuurlijk hadden mijn ouders voor deze reis een door de Duitse autoriteiten uitgegeven Ausweis nodig: oorlogstijd en Den Helder “Stützpunkt der Kriegsmarine!”. Het goede nieuws: die dag waren er géén luchtaanvallen!

De bunker van Ome Kees. Foto's: collectie Cor Kuip, afkomstig van mevrouw Maas-Drach.

Beginnend in 1948 maakte mijn moeder gedurende de zomermaanden deel uit van de huishoudelijke staf van het hotel: de verdiensten waren een mooie aanvulling op haar bescheiden inkomen als confectienaaister. Begin juli met de trein naar Den Helder gevolgd door een bootreis naar Texel. Een kist met kleding werd per Van Gend & Loos vooruit gestuurd. Ik mocht, of liever gezegd, moest mee. Géén straf! Ik was een geluksvogel oftewel een bofkont: iedere zomer ongeveer twee maanden lang naar Texel.

Mooiere zomervakanties kon ik mij niet voorstellen. Vakanties vol strand, zee en avontuur. Geluk binnen handbereik, slechts onderbroken wanneer eind augustus de reis naar Baarn werd ondernomen. In de zomer van 1959 werd ik werd aangenomen op de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam, mijn moeder kreeg een vaste betrekking in het Baarnse Ziekenhuis, Torenlaan.


Ome Kees van der Meulen en Ed Vermeulen, samen met Walco ("de schrik van de badgasten").

Op het strand deed ik wel eens klusjes voor Jan Maas, de altijd goedlachse eigenaar van het strandbedrijf Noorderbad. Jan woonde op Hoeve ’Zandvrucht’ aan de Rozendijk en kwam dagelijks met zijn jeep naar De Koog. Hij had het bedrijf ‘Noorderbad’ trouwens al voor de oorlog. De klusjes bestonden uit het, bij wisseling van huurder, opruimen en zandvrij opleveren van de strandhuisjes of het opruimen van het, ook toen al, aanwezige zwerfvuil op het strand.

Jan kon mooi vertellen over vroeger tijden, had veel fantasie en ook veel overtuigingskracht. Ik geloofde hem onvoorwaardelijk. Een aantal jaren later heb ik Jan ook wel eens geholpen met het afbreken van de huisjes aan het eind van het seizoen. De huisjes gingen dan in de winteropslag.

Ach mein Junge , ik heb so oft an jou gedacht!

Het waren ook de jaren dat Jan zijn latere echtgenote Gertrud Drach (Frau Maas) leerde kennen. Gertrud kwam met haar enige zus Elisabeth begin jaren vijftig vanuit Essen, Duitsland naar Texel. In 1957 trouwde ze met haar badman Jan Maas. Beide dames gingen altijd, weer of geen weer, baden in zee. Lieve vrouw, Gertrud, die ontmoetingen in latere jaren altijd begon met de woorden…’Ach mein Junge , ik heb so oft an jou gedacht!’ Hier leerde ik in 1953 ome Kees kennen en begint mijn bunkerverhaal. Ik was elf, net geslaagd voor het toen nog verplichte toelatingsexamen voor Het Baarnsch Lyceum. Op naar Texel: tijd voor een echte vakantiebaan.


's Zomers hergebruik van afgedankt oorlogsmateriaal.

Exploitant van een door de Duitsers in de oorlogsjaren als onderdeel van de Atlantikwall gebouwde bunker op het strand bij paal 20 De Koog en nu in gebruik genomen als zomers ’Koek en Zopie’. Een prachtig staaltje verantwoord hergebruik. Zijn naam C. (Kees) van der Meulen. Hij werd door iedereen ‘Ome’ Kees genoemd, was getrouwd, en woonde in de Azaleastraat in Leeuwarden. Ome Kees was op Texel verzeild geraakt door zijn werk als kok bij de ’sneeuwklokjes’ expedities naar Frankrijk, georganiseerd door de broers en bollenboeren Piet en Nanning Kikkert van het Waalenburgerhuis en hoeve Vredestein.

Veel later kwam ik er achter dat Nanning Kikkert de bunker van Rijkswaterstaat pachtte en Ome Kees bij hem in dienst was. Hij verbleef in een van Jan Maas gehuurd strandhuisje naast de bunker. Ook in Den Burg had hij een slaapadres, een kamer boven het bekende en roemruchte Café De Karseboom van Gerard Rump aan de Vismarkt. Hij deed me het voorstel bij hem in dienst te komen als koffiejongen. Takenpakket: bedienen op het terras, ’s ochtends de zich naar hun strandhuisjes begevende badgasten begroeten en hun bestelling noteren.

Zo gezegd, zo gedaan. Een opgewekt ’Goedemorgen of Gutenmorgen’, al naar gelang de nationaliteit, vormde de begroeting. Klokslag tien uur ging ik met koffiekan en kop en schotels langs de huisjes. Ik kwam tot huisje dertig: daarna werd de koffie koud of kwam er bij wind uit zee te veel zand in de kopjes. Een seizoen later had ik een bak gemaakt van een colakratje. Ik droeg de bak met banden om mijn schouders, flesjes limonade erin en verkopen maar! Ik sjouwde wat af, kende alle gasten, velen ook bij naam, en iedereen kende mij. Dit werk leverde mij een leuke zakcent op.

De oorspronkelijk in de duinen gebouwde bunker, restant van de vijf oorlogsjaren, was na verloop van tijd in zijn geheel los hiervan komen te staan: rijp voor hergebruik. Ik herinner mij dat in 1947 of 1948 het oorspronkelijke geschut nog aanwezig was. Een van mijn Koger speelkameraden van toen heeft nog geprobeerd een gevonden, onontplofte, granaat in de loop te rammen! Eenmaal los van de duinen, werd de betonnen kolos verpacht en werd het een soort voorloper van de latere strandpaviljoens.

Via de oorspronkelijk ingang, gangetje in links af, rechts af, kwam je bij een later aangebrachte houten deur. Hierachter bevond zich de verkoopruimte of wat daar voor door ging. De meters dikke muren zorgden voor een koele temperatuur. Eigenlijk was het er gewoon koud en vochtig en echt lekker ruiken deed het er ook niet. Een muffe geur is wat ik mij herinner. Ome Kees droeg niet voor niets, ook in de zomer, vaak een coltrui. Op zeer warme dagen droeg hij, geloof het of niet, een tropenhelm, waarvan werd gezegd dat hij deze ’s avonds in De Karseboom rond liet gaan, waarna er van de opbrengst weer nieuwe versnaperingen werden gekocht.

Ik kon de soldaten die hier de wacht aan de Noordzee hadden gehouden niet benijden. Wel een prima plek om er koffie, thee en limonade en allerlei snoepwaren te verkopen. Een zeker in de beginjaren bescheiden assortiment, dat allengs, met het toenemen van de aantallen toeristen (of badgasten zoals ze toen genoemd werden), werd uitgebreid. Niet al te veel luxe, alles heel simpel, net als het leven in die jaren, maar wel gezellig. Buiten de bunker, voor de geschutsopening, was een hoge betonnen muur, de zogenaamde waterkering. Het geheel omgetoverd tot een bescheiden terras met tafeltjes en stoeltjes.

Absolute toppers in het assortiment waren naast de bekende Pennywafels (wafeltjes met laagjes chocola) en de spekkies, waarvan ome Kees aan de veelal Duitse afnemers vertelde dat ze van ’Alte Fahrräder Reifen’ waren gemaakt, de overheerlijke Friese sûkerlatten, suikerkoeken. Grote, langwerpige koeken, gebakken en geleverd door Bakker Beuving, Kogerstraat 44, Den Burg.

Ome Kees bracht ’s ochtends altijd de nieuwe dagvoorraad mee. Wanneer de koeken sneller dan verwacht uitverkocht waren, ging ik op de fiets naar Den Burg, nieuwe voorraad halen. Nee verkopen, deden we niet! De koeken werden bewaard in een hutkoffer die in het strandhuisje van Ome Kees stond, vlak naast het dagverblijf van Jan Maas. Regelmatig werd de handvoorraad in de bunker door mij bijgevuld. Zo ontdekte ik welke verborgen schatten deze hutkoffer nog meer te bieden had.

De over het strand patrouillerende agenten van de Rijkspolitie te paard behoorden tot de vaste bezoekers.

Tijdens zijn reizen naar Frankrijk met de sneeuwklokjesexpeditie kocht Ome Kees boekjes en blaadjes, waarin foto’s van veel schaars of in het geheel niet geklede dames waren opgenomen. Deze bladen werden eveneens in de hutkoffer bewaard: onder de suikerkoeken. Het was dus niet verwonderlijk dat het door mij ophalen van de koeken soms wel heel erg lang duurde. Ome Kees wist altijd precies hoe laat het was, wanneer ik, met een grote tas vol koeken en een hoogrode kleur van opwinding weer terugkwam in de bunker. ’Zeker weer zitten kijken. Waren ze mooi?’ waren zijn woorden.

De over het strand patrouillerende agenten van de Rijkspolitie te paard behoorden tot de vaste bezoekers. ’s Middags kwamen ze steevast een kopje koffie drinken. De koffie met een stuk eierkoek, werd altijd genuttigd in, het laat zich raden, de hut van Ome Kees. Ook de heren studenten die hun zomerreces een waardevolle inhoud gaven door als strandwacht te fungeren behoorden tot de regelmatige bezoekers. Een andere topper, van een iets ander kaliber, was de jeneverfles waaruit van ‘onder de toonbank’ zoals dat heet in vakjargon aan de vaste kring van happers een borrel werd geschonken. De juiste vergunning hiervoor ontbrak waarschijnlijk, maar het leverde Ome Kees een mooie extra omzet op. Eén van de vaste gasten, een Zweedse badgast met kleinzoon Hans, bestelde altijd ’Ein Joy für Hans und ein Schnapps für mich’. Joy was een soort sinas, maar dan in een rond flesje.

Ik koester de herinneringen aan de lange zomers op Texel. Tientallen jaren later werd mij verteld dat Ome Kees eigenlijk ’Ybele’ heette en zelfs familie op Texel had. Dat had hij mij nooit verteld. Hoe het ook zij, voor mij is en blijft hij ’Ome Kees’.

Hotel Het Witte Huis en ’mijn’ bunker zijn gesloopt, alle hoofdpersonen van toen, uw schrijver en zijn lief uitgezonderd, zijn al langer niet meer onder ons. Gebleven zijn de herinneringen! Bedenk ook bij het lezen van dit verhaal dat ieder mens zijn eigen ’goede oude tijd’ creëert. De mijne werd in dit speciale geval muzikaal in 1958 vastgelegd door mijn rock-’n- roll held Eddie Cochran in zijn hitsong: ’Summertime Blues’.        

Meer op: https://groenegraf.blogspot.com/

Foto:
De bunker van Ome Kees. Foto's: collectie Cor Kuip, afkomstig van mevrouw Maas-Drach.
Foto:
Ome Kees van der Meulen en Ed Vermeulen, samen met Walco ("de schrik van de badgasten").
Foto: Collectie Cor Kuip.
Foto: Foto: Collectie Cor Kuip.
's Zomers hergebruik van afgedankt oorlogsmateriaal.
Foto:
Uit de Texelse Courant.