De trots straalt er vanaf in de Gids voor het eiland Texel, een uitgave van de Vereeniging Mooi Texel, een van de voorlopers van de VVV Texel. Het boekje verscheen in juli 1928, ver vóór Texel een bekend vakantie-eiland werd. Toch zal het in een behoefte hebben voorzien. Volgens het voorwoord van J.A. van der Vlis was sprake van de tweede druk, in een oplage van 3000 exemplaren. Het was “voorzien van een groot aantal nieuwe pagina’s” en “uitgebreid met een artikeltje over de Folklore van Texel”.

Achterin het boekje en op de uitvouwbare plattegrond voorin staan tientallen adverteerders, ondernemers die bijna een eeuw geleden al beseften dat er geld te verdienen viel met mensen die voor hun plezier naar Texel kwamen. Logiesverstrekkers vormen de hoofdmoot, zoals Pension Zonnelust, Hotel Café-Restaurant De Oranjeboom, Hotel Restaurant Pension De Hoop en Pension en Lunchroom Bosch en Duin (“bij de Fonteinsnol tegen de dennenaanplanting”). Maar ook andere Texelaars probeerden een graantje mee te pikken. Wie naar Vlieland moest of op robben wilde jagen(!), kon mee met M. Bakker & Zoon uit De Cocksdorp (“Tarief billijk”). Breed was het assortiment van Alex Koning uit Den Burg, “je adres voor strandstoelen, botters, scheepjes, emmers, spaden, kano’s, harmonicabedden, zandvormen, voet- en tennisballen, strandwagens en wandelstokken”.

Andere bedrijven maakten – toen al – reclame voor lokale producten. Voor “echte Texelsche schapenkaas” kon je terecht bij P. Boon en bij J. Schrama, voor “Texelsche koek” bij de Gebroeders Blom, G. Dros Pz., Jac. Bakker Adrz. en S. Plaatsman. Ten slotte adverteerden ook bedrijven die je niet zo gauw in een toeristische uitgave zou verwachten, zoals Houthandel S. Keijser Dzn. en de machineherstelplaats van Jan Kuipers in De Waal.

De auteur staat niet vermeld, maar was waarschijnlijk dezelfde als de schrijver van het voorwoord: J.A. van der Vlis, onderwijzer in Den Burg en later bekend geworden door boeken als Tragedie op Texel en ‘t Lant van Texsel. In een bloemrijk taalgebruik neemt hij zijn lezers bij de hand, vanaf het moment dat hij ze tegenkomt in de ‘spoorcoupe’ die hen naar Den Helder brengt. In de aankomstplaats kunnen ze kiezen: “Aan ’t station (…) wachten ‘bussen’ passagiers voor de Texelsche boot. In twintig minuten is deze te voet te bereiken.”

Aan boord adviseert hij goed rond te kijken. “Achter U liggen Den Helder en Huisduinen. De vuurtoren houdt er, hoog boven alles uit, de wacht. Het fort de “Harssens’ kijkt U grimmig na. Aan bakboord ziet ge de blinkende duinen van Onrust de schuimende branding trotseeren.”

Na aankomst in Oudeschild wijst hij op de auto’s en bussen die de gasten in korte tijd naar Den Burg brengen. “De minder gehaaste reiziger had ‘k evenwel wat anders toegedacht. Laat hij zijn teveel aan bagage afgeven bij ’t havenpakhuis: men zorgt er voor bestelling naar alle dorpen en laat hij met mij een wandeling maken eerst door ’t visschersdorp, dan door de grazige weiden naar Den Burg. Wilt ge met de fiets? Op de groote afstanden zal ze U van veel gemak kunnen zijn.”

Onderweg wijst Van der Vlis op de historische boerderijen Brakenstein, Weezenplaats en Rozenhout, geeft hij uitleg over tuunwallen, schapenboeten en de putten met drinkwater voor de scheepvaart en vertelt hij over admiraal De Ruyter, die in herberg De Zeven Provinciën logeerde. Ontnuchterend is zijn mededeling dat “het logement van dezelfde naam, dat we thans nog in Oudeschild, aantreffen, slechts de naam met het vroegere hotel gemeen” heeft. Om te vervolgen met: “Waarmee ‘k niet gaarne de waard aldaar beleedigen zou! Integendeel, mijn aanbevelingen zijn hem gereede verzekerd.”

Goedmoedig spot hij met de naam Hooge Berg: “Alles is hier betrekkelijk, niet waar, en ’n heuveltje is hier ’n alp!”. Ten slotte dient Den Burg zich aan. “We komen er binnen voorbij de Zeevaartschool, langs ’t Schildereinde. Door Warmoesstraat of Parkstraat bereiken we de Groeneplaats, en vinden in een der hotels onze vrienden, door bus of auto daar gebracht.”

"Afscheid van Vreemden, die misschien Vrienden zijn geworden"

Hij besluit het eerste hoofdstuk met een citaat uit het boekje Brieven over Texel uit 1781, waarin kunstschilder en geschiedschrijver Pieter van Cuyck hoog opgeeft over het middagmaal waarop een Texelse vriend hem trakteerde, bestaand uit vis, ‘fijn wild’, ‘de lekkerste groenten’ en ‘de keurigste vruchten’. “Dit alles toen al door Texel voortgebracht. Is uw eetlust voldoende? Vraagt Uw hotelier tong en tarbot en… Eet smakelijk!”

In de volgende hoofdstukken haalt Van der Vlis zijn lezers dagelijks op van hun logeeradres en neemt hij ze mee naar de bezienswaardigheden van het eiland. Steevast begint hij met een keuvelpraatje. “Wel geslapen? Hebt ge U met andere gasten verwonderd over al de ‘Kikkerts’ die hier wonen? Hebt Ge niet gevraagd of al die menschen ooms en tantes, neefjes en nichtjes waren? Ontken het eens!” Het slot van de dag is vergelijkbaar. “Na dit fragmentje geschiedenis rijden we over de zeer mooie ‘Boomendijk’ de Waal uit terug naar Den Burg. Nog ’n paar kronkelingen en we zijn er. ‘k Hoop, dat de dag U niet te lang gevallen is. Morgen kom ‘k U nog eens halen! Adieu!”

De gids is chauvinistisch, maar niet zonder kritiek. “Achter ’t Waaggebouw treft ons het oudste deel van hotel Texel met zijn bijzondere ingang, wat àl te degelijk geconserveerd onder wit- en verfkwast! Zo is ’t met meer oude geveltjes hier in de buurt. Bij restauratie zou hier stellig wat moois te maken zijn.” Kritiek op gemeentehuizen is kennelijk van alle tijden. “’t Gebouw is van een late en minder mooie stijl. De nieuwbouw heeft de zaak er niet fraaier op gemaakt.”

Vermakelijk is zijn beschouwing over het interieur van het voormalige klooster in de Parkstraat. “Men bewaart er een op paneel geschilderd portret van ’t lieve gravinnetje Ada, dat hier om een erfeniskwestie werd gevangen gezet. ’t Jaartal MCCIII (1203, red.), op de schilderij aanwezig, doet vermoeden, dat veel phantasie en weinig historie de legende van ’t gravinnetje hebben gedicht. De techniek van ’t schilderen was in 1200 nog onbekend.”

Bijna schokkend is het vervolg: “Als typisch staaltje van de onverschillige mentaliteit onzer voorvaderen diene voorts gememoreerd, dat de weesmeesteren in ± 1780 groote koffers met oude geschriften, die stonden op de zolders van het gebouw, lieten verbranden. Ze konden ze immers toch niet lezen! Wat zou veel duisters uit de geschiedenis van ons eiland door die papieren tot klaarheid zijn gebracht. Waren de vroede vaderen wat minder voorbarig geweest!”


Mooi Texel

Het hoofdstuk ‘De Polders in!’ is gewijd aan het vogelleven. Vol passie vertelt de auteur over de kemphaan in Waalenburg. “Vooral in de morgenuren, in de paartijd, kunt ge hier het liefdesspel dezer vogels gadeslaan. De nekveeren als een kraag opgezet – de jongens hier noemen de dieren ‘Kragemakers’ – de snavel als een degen vooruit, stormen de mannetjes op elkaar in. ’t Is een strijd om de bruid, die schijnbaar onverschillig afwacht, wie zal zegevieren. En – als bij de menschen soms – ze schenkt de overwinnaar haar hart.”

Veel broedgebieden zijn eigendom van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, vertelt hij. “’t Lidmaatschap van deze vereeniging durf ‘k U van harte aanbevelen.” Om bezorgd te vervolgen met “En nu eenige regels van rouw (…) omdat dit land (…) verdwijnen gaat. In het voorjaar van 1926 kreeg de verbeterde bemaling van dit polderland haar beslag. Waarheen zullen ons vogels gaan? Wat zal er worden van al die nestelplaatsen? Laten we hopen, dat ze op ons eiland een broedplaats blijven vinden.”

Het gidsje straalt een enorme rust uit, alsof er ook toen een griepvirus rondwaarde dat de mensen binnenhield. “De Hollewalsweg wordt weinig gebruikt. Hij kruipt tusschen hooge tuinwallen naar de buurtschap Driehuizen. De vogeltjes maken er in de oude walletjes hun nest, een leeuwerik stijgt er hooger en hooger en jubelt er zijn lied. Het Blauwe Klokje bengelt er tusschen dorre sprietjes gras. Wat is een zomerdag hier een feest!”

En bij nadering van de nog jonge Dennen: “We beklimmen de ‘Fonteinsnol’ en ’n ruischend Bosch van donkergroen naaldhout strekt zich honderden hectaren ver voor U uit. Geen claxon verscheurt hier de stilte. Het gerinkel van de telefoon is U hier een vage herinnering. Achter de dennen ligt in onberoerde pracht nog ’n golvend duinenveld. Daarachter als eindeloos… de Zee.”

Archief Texelse courant.

Veel aanbevelingen zouden anno 2020 nog steeds in een toeristische uitgave passen. Dat geldt niet voor een bezoek aan De Mok, toen een marinekamp voor watervliegtuigen. “De moderne oorlogstechniek moge U dan al onverschillig zijn, ’t blijft een prachtig iets, een toestel, door menschen geconstrueerd, als een groote glanzende libel op te zien stijgen uit het water. Op werkdagen na vieren, ’s Zaterdags na twaalf uur, zult er gaarne ontvangen worden. ’t Is wenschelijk eerst toestemming aan te vragen bij de eerste officier.”

Tot aan het einde van de laatste dagtocht toont de schrijver zich op en top gastheer. “Zonder mijn geleide zult ge Uw hotel wel vinden. Ik breng U echter naar de boot! En daar neem ‘k dan afscheid van Vreemden, die misschien Vrienden zijn geworden. Van mijn kant van harte ‘tot ziens’. Ik wensch U goede reis!”