Vijf jaar bezetting heeft op Texel diepe sporen achtergelaten. Op het eiland, maar ook aan de kust. Om landingsboten van de geallieerden tegen te houden, hadden de Duitsers voor de Texelse westkust vele honderden zeemijnen geplaatst. Kort na de oorlog werden ze onschadelijk gemaakt door Mijnopruimingsdienst.

Eén van hen was Jan Everhardus uit Groningen. “De foto’s zijn gemaakt toen mijn vader van maart tot november 1947 op Texel zat”, vertelt zijn dochter Akke Martens.

“Mijn vader ging op 8 oktober 1946 in militaire dienst. Hij werd gekeurd in Voorschoten. In de buurt van Loosdrecht kreeg hij gedurende twee maanden de opleiding voor de marine. In december vertrok hij naar Leiden. Hier was de opleiding voor het opruimen van mijnen. Vermoedelijk in maart, er lag nog ijs, reed hij met een GMC legertruck naar Texel. Met de stoomboot dokter Wagemaker voer hij naar Oudeschild.

Taak van de Mijnopruimingsdienst was zogeheten Kathymijnen voor de kust van Texel opruimen. Mijn vader plakte de rubberboten. Het opruimen van de mijnen was gevaarlijk werk. Er werden volgens mijn vader onverantwoorde risico's genomen.


Foto: Familie Martens

Voor de westkust van Texel lagen op ongeveer 100 meter uit de kust veel Kathymijnen. De MOD heeft er ongeveer 400 opgeruimd. Een mijn was een rechthoekige bak, die verdeeld was in drie delen. Het middelste deel bevatte springstof. Op de randen van de bak zaten ijzeren stangen, aan de bovenkant met elkaar verbonden en waar bovenop de kraag, een voelhoorn zat. De mijn was ongeveer twee meter hoog. Door druk kon de mijn tot ontploffing komen.

Hoe werden de mijnen opgespoord? Twee oude rubberboten met op iedere boot drie personen voeren bij eb en als er niet te veel wind was met de stroom mee, de zee op. De twee boten waren door een touw met elkaar verbonden. Aan dit touw waren stenen vastgemaakt, zodat het touw over de bodem sleepte. Het touw bleef achter de kraag van de mijn hangen. Mijn vader maakte een boei vast aan de mijn. Men werkte van zuid naar noord.

Hoe werden de mijnen tot ontploffing gebracht? Op Loodsmansduin bevond zich een bunker met munitie. Er waren drie legertrucks. Drie matrozen waren chauffeur. Zij reden de matrozen, de munitie en de boten naar het strand. De matrozen roeiden naar de mijn en duikers brachten springlading aan."

Eén van de kikvorsmannen die destijds meehielp met het opruimen was Thijs Pennock, die er in 2011 over vertelde in deze krant. "Als je één mijn had gevonden, dan had je ook de rest. Want ze lagen op precies negen meter afstand van elkaar. Bij de mijn doken we naar beneden. We hadden geen helmen op, want het waren magnetische mijnen. Het water was troebel, dus het was tastwerk. Als we de mijn hadden gevonden, zetten we er een stuk hexoniek springstof op, dat verbonden was met een kabel en een ontsteker. Het explosief werd op honderd meter afstand tot ontploffing gebracht."

De foto met de ontploffing is genomen op het strand van De Koog. Er werden ook bunkers opgeblazen.

Eenmaal in de drie weken was je een weekend vrij. Jan Everhardus verbleef tot mei 1949 op Texel, toen hij uit dienst ging. Zijn verblijf op Texel kreeg een bijzonder staartje. “Mijn ouders hebben elkaar ontmoet op Texel. Mijn moeder (Doet Visser uit Friesland) was met vriendinnen in Den Hoorn op vakantie." Pennock: "We lagen hier met een man of twintig en ik denk dat er wel een stuk of negen aan een vrouw zijn blijven hangen. Ook ik kreeg een meisje hier, Tiny Schrama, geboren in 't Ruge Landje in de Dennen."

Pennock vertelde ook hoe de mijnopruimers op zondagavond vanaf Loodsmansduin met de truck naar De Koog gingen te stappen, in de truck een stel peddels meenamen. "Hoornders waren niet zo vriendelijk. Ze gooiden zelfs met stenen. Dat kwam doordat we het met de meisjes aanlegden. Dat vonden ze niet leuk. Ook in De Koog kon het rumoerig zijn als we uitgingen. De burgemeester verbood ons dat we daar gingen passagieren. Toen zei onze commandant: "Dat kunt u doen, maar dan stoppen wij met opruimen. Dat kon de burgemeester natuurlijk niet maken."

In november 1947 werd Jan Everhardus overplaatst naar IJmuiden op de mijnenveger H.M. Marken. Met dat schip werden mijnen gezocht die dieper lagen.